Marianne wordt gepest door collega’s

Marianne (26) wordt gepest op haar werk. “Ik heb altijd gedacht dat pesten vooral onder kinderen gebeurde. Maar het treft mij als volwassene en het maakt me ontzettend ongelukkig en eenzaam. Het is niet iets waar je makkelijk over praat op feestjes.”

Bijna een jaar werkt Marianne nu als journalist op een grote redactie. Het is haar droombaan. “Ik weet nog hoe ik echt helemaal door het dolle heen was toen ik hoorde dat ik was aangenomen.” Maar van die euforie is weinig over. Ze gaat tegenwoordig iedere dag met het lood in haar schoenen naar haar werk.
Het begon eigenlijk al op dag één, vertelt ze: “Ik heb een heel sterke intuïtie. Ik werd voorgesteld aan mijn nieuwe collega’s, gaf iedereen een hand en voelde bij drie wat oudere vrouwen gelijk een heel negatieve energie. Dat klinkt misschien zweverig, maar dat ben ik totaal niet. De manier waarop ze mij aankeken en na het voorstelrondje een vluchtige blik met elkaar wisselden voelde gewoon niet goed. Er werd zonder woorden toen al een oordeel over mij geveld.”

 


Ze heeft daar natuurlijk geen keiharde bewijzen voor, maar Marianne zag hoe het zich onder haar ogen voltrok: “Terwijl ik werd ingewerkt, zag ik vanuit mijn ooghoeken de drie vrouwen naar de koffieautomaat lopen. Er bekroop mij een gevoel dat ik wel eens last van hun zou kunnen krijgen. Ik hoorde ze praten en lachen – wat ze zeiden verstond ik niet. Maar toen een van de vrouwen ineens naar mij keek, wist ik het zeker. Het ging over mij. Je zou kunnen zeggen dat ik een behoorlijk valse start maakte.”
De sfeer is die eerste dag niet zoals ze gehoopt had; geen sprake van ‘een warm bad’. Ook werktechnisch werd ze in het diepe gegooid, wat haar extra onzeker maakte. “In mijn onzekerheid maakte ik fouten, die me zwaar werden aangerekend. Ik kreeg echt op mijn kop. Daardoor kwam ik niet meer lekker uit mijn woorden, het was heel ongemakkelijk allemaal. Ik baalde ervan dat ik me zo gek liet maken.”

‘Twee cappuccino graag!’
Gevoelig was ze als kind al. Geen ‘haantje de voorste’, eerder wat meer op de achtergrond. “Het is niet zo dat ik verlegen ben, ik hoef dat podium, al die aandacht gewoon niet zo. Gelukkig ben ik toen ik jong was nooit gepest. Ik zat op een heel fijne school en had een geweldig leuke beste vriendin. Zij kon flink van zich afbijten en was populair. Naast haar voelde ik me altijd een stuk zekerder, we waren als kinderen echt vier handen op één buik, vulden elkaar aan. We zijn nog steeds bevriend. Die eerste weken dacht ik regelmatig: was Heleen maar hier. Ik kon gelukkig wel ’s avonds na het werk mijn verhaal aan haar kwijt. Ze zei dat ik me er vooral niet teveel van moest aantrekken. Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik probeerde het wel te negeren, maar dat lukte niet.”

 


Marianne moet veel samenwerken met twee van de drie vrouwen die haar een slecht gevoel geven – zij zijn haar directe collega’s. En dat gaat inderdaad niet zoals je mag verwachten. “Ze behandelen me alsof ik hun hondje ben. Je hoort wel eens van stagiaires die als voetvegen behandeld worden; dat doen zij ook met mij. De leukste klussen trekken ze naar zichzelf toe. Ik krijg de left-overs. En ze commanderen mij. Dan hebben we bijvoorbeeld een meeting en word ik gesommeerd voor hen koffie te halen. ‘Oh Marianne, ga jij nog langs de automaat? Twee cappuccino graag’, roepen ze dan lachend. Ze voldoen echt aan het beeld dat je bij de term ‘bitch’ hebt. Het liefst roep ik dat ze het zelf maar moeten halen, maar zoiets doe je niet als je ergens net werkt. Ik heb het laten gebeuren. Dat reken ik mezelf aan.”

Sneaky
Wat er precies gebeurt, hóe ze gepest wordt, vindt Marianne moeilijk uit te leggen. Het gaat er heel anders aan toe dan het klassieke pesten op een lagere of middelbare school; daar is het meer schelden, duwen en trekken – dat gebeurt vaak heel openbaar. “Deze collega’s pesten sluwer. Het gaat heel sneaky allemaal, zó sneaky dat ik het niet kan bewijzen of aankaarten. Ik word bijvoorbeeld stelselmatig door deze drie vrouwen genegeerd. Ze zullen nooit vragen hoe mijn weekend is geweest en hebben nog geen enkele keer iets over mijn persoonlijke situatie gevraagd. Als we lunchen of vergaderen en met de hele redactie aan een lange tafel zitten, kijken ze mij geen seconde aan. Het is net alsof ik niet besta. Als ik iets voorstel, reageren ze niet. Dat valt anderen niet op, want er is altijd wel iemand die wél reageert. Als ik met een voorstel kom, wordt het steevast afgekraakt. En dan niet met opbouwende kritiek; het wordt minachtend weggelachen. Pas nog kwam ik met een in mijn ogen supertof idee. ‘Nee, want dáár hebben we nog nooit iets over geschreven!’ lachte er een. De rest van de tafel lachte wat mee, ik denk niet eens dat ze beseften wat het met mij deed. Ik snap zo’n reactie niet; ik  ben jong en vrij nieuw in het wereldje; het is toch logisch dat ik niet volledig op mijn netvlies heb waar ze in het verleden al wel of nog geen aandacht aan hebben besteed? Je  kunt nieuwe collega’s toch ook op een leuke manier iets leren? Ze zijn toch zelf ook zo gestart?”

 


De derde vrouw waar Marianne last van heeft, werkt als redactiesecretaresse. “Zij heeft vrijwel overal invloed op. Als ik een declaratie inlever, laat ze die tot het allerlaatste moment liggen, waardoor ik op mijn geld moet wachten. Ze is ook voortdurend dat soort dingen van mij ‘kwijt’. Ik geloof daar niets van, ze is verder altijd hartstikke secuur. Als ik ook maar ergens vergeten ben een handtekening te zetten of iets anders niet compleet inlever, komt ze op hoge poten naar me toe om me met luide stem een waarschuwing te geven, alsof ik een klein kind ben. Ze kleineert me ten overstaan van de hele redactie en ik durf er niet tegenin te gaan. Ik snap niet dat niemand er iets van zegt. Van niemand krijg ik steun of bijval. De rest pest dan wel niet mee, maar het kan er bij mij niet in dat ze niet in de gaten hebben dat ik er zo ongelukkig bij zit.”

Niet meer onbevangen
Pesten op het werk is een groot probleem. Uit onderzoek door het CNV en de Universiteit Twente is gebleken dat ruim 17% van alle werknemers in Nederland op het werk structureel wordt gepest. Van de leidinggevenden krijgt 8% te maken met pesterijen. En de gevolgen zijn heftig. Het merendeel van de mensen die gepest worden, ondervindt daar blijvende schade van.
Voor Marianne zit er niets anders op dan uit te kijken naar een andere baan. “Ik heb overwogen met de hoofdredacteur te gaan zitten en mijn verhaal te doen, maar daar voel ik niks voor. De drie vrouwen werken er allemaal al jaren; die worden echt niet zomaar op straat gezet voor een nieuwkomer. En als de hoofdredacteur een gesprek met ze aangaat, weet ik zeker dat het pesten er alleen maar erger op wordt. Zelf een gesprek met ze aangaan, durf ik niet. Ik kan ze niet aan. Ik heb al een heleboel sollicitatiebrieven verstuurd en zit nu de rit uit. Er komt vast wel iets anders op mijn pad. Dit is misschien ook niet de juiste werkomgeving voor mij. Ik pas niet tussen al die hippe vrouwen met een attitude, misschien is dat ook wel de reden dat ze de pik op mij in hebben. Ik ben in hun ogen een vreemde eend in de bijt. Het is heel vervelend dat mijn eerste echte baan zo slecht uitpakt. Dit dreunt ongetwijfeld door in de volgende banen die ik heb, daar stap ik niet meer onbevangen in. Toch heb ik wel goede hoop dat het ook anders kan. Ik ben via-via in contact gekomen met een vrouw die ook op deze redactie heeft gewerkt en zij herkende mijn verhaal meteen. Dat steunde mij enorm; ik ben dus niet de enige bij wie ze dit doen – het ligt niet aan mij. Het is onbegrijpelijk dat ze ermee weg komen, keer op keer. Ik ben er van overtuigd dat er aan hun pestgedrag een stuk onvrede ten grondslag ligt. Als je het een ander doelbewust zó moeilijk maakt, moet er wel iets mis zijn in je eigen leven. Ik zou dit een ander in elk geval nooit kunnen aandoen.


Tekst Hester Zitvast