Kort verhaal (2)

 

Het zand glijdt door mijn vingers terug naar het strand. De wind loeit en streelt hardhandig mijn gezicht.

Hij schuurt, gevuld met zandkorrels, mijn vochtige wangen. De golven slaan stuk op het strand en laten een schuimige substantie achter. Ik pak opnieuw een hand zand en gooi het verwoed de zee in. Ik concentreer me hierop, om maar niet te hoeven denken. Een afleiding.

Ik weet het niet, ik weet niet meer wat ik moet doen. Jasper is weg, maar ik durf zijn plaatsvervanger niets te zeggen. Bang voor wat er gebeurt als hij weet dat ik het weet. Wat wil hij van mij? Angstvallig tuur ik naar boven, op zoek naar iets. Maar ik zal het antwoord niet vinden. Mijn leven is niet meer van mij.

‘Ga je mee?’ zijn azuurblauwe ogen boren zich in mijn ogen en vanaf dat moment ben ik verloren. We bewandelen samen het pad naar huisje-boompje-beestje. Het lijkt zo perfect, tot die ene dag.

Het open raam verwelkomt een zacht briesje dat de gordijnen voorzichtig heen en weer beweegt. Door een kier van het gordijn wurmt een eigenwijs zonnestraaltje zich naar binnen. Het maakt dansende bewegingen op mijn deken en streelt zacht mijn gezicht. Het verleidt mij en vanachter het gordijn hoor ik een zachte, verleidelijke stem: ‘Kom maar. Kom en ga met mij mee.’

Het zonnestraaltje danst verder en lonkt. Ik duw de warme dekens van me af en ik laat me leiden door het licht. Richting het raam. De zware fluwelen gordijnen kriebelen tegen de toppen van mijn vingers.

‘Kom maar,’ hoor ik zoetgevooisd fluisteren.

Nieuwsgierig trek ik ze open en laat mij verrassen door een onverwacht voorjaarszonnetje. Met gesloten ogen geef ik mij over aan het genot van de warmte op mijn gezicht.

‘Kom, met mij mee.’ De stem trekt aan me, smachtend, dwingend.

Ik kan niet anders dan volgen. Ik trek mijn kleren aan die netjes over mijn stoel hangen. De warme fleecetrui glijdt teder over mijn lichaam, gevolgd door mijn vale spijkerbroek. Uit mijn sokkenlade pak ik een paar schone, zwarte sokken. Er liggen vijf paar zwarte en twee gekleurde sokken in de la. Neurotisch als ik ben, draag ik op een doordeweekse dag zwarte sokken en in het weekend gekleurde sokken. Om niemand wakker te maken, sluip ik op mijn tenen naar beneden. De rest van het gezin ligt heerlijk te dromen, behalve Jasper. Waar is hij?

Bij de achterdeur glijd ik in mijn trendy paarse regenlaarzen met bonte bloemenprint. Mijn favoriete schoeisel hier in ons afgelegen huis aan de rand van het bos. Het is de veilige haven waar we sinds kort onze intrek hebben genomen. Op aanraden van mijn psycholoog, een kennis van Jasper.

Haar doordringende groene ogen weten me, ondanks haar goede raad, altijd een ongemakkelijk gevoel te geven. Ik dacht altijd dat ze bruine ogen had, maar na een paar sessies zag ik dat ze eigenlijk groene ogen heeft. Ze vindt dat ik de rust moet opzoeken om mijn bizarre hersenspinsels te verjagen. Rust en een dagelijkse wandeling door het bos zijn, volgens haar, goed voor mijn geest.

Bij de achterdeur ligt Jack, onze golden retriever, zoals gewoonlijk te slapen. Wanneer ik mijn voet stilletjes in de tweede laars stop, wordt hij wakker en staat binnen een mum van tijd kwispelend naast me. Hem ontgaat niets. Geen stap verzet ik zonder Jack, waar ik ook ga. Sinds kort moet hij niets meer van Jasper hebben, hij gromt tegen hem. Dat deed hij anders nooit. Zij waren dikke maatjes. Nu niet meer. Maar Jack en ik, wij blijven onafscheidelijk. Buiten probeert hij met zijn voorpoot het dansende zonnestraaltje te vangen.

‘Kom maar, ga met me mee,’ fluistert het met dansende bewegingen voor mij, alsof het me de weg wil wijzen. Het schiet van links naar rechts en ik heb moeite te volgen. ‘Je bent er bijna, nog een klein stukje.’

Ik laat me leiden door de fluistering en loop naar de rand van het bos. De jonge groene blaadjes aan de bomen moveren zacht op de melodie van de wind.

‘Kom maar,’ ruist het door de takken.

Iedere vezel in mijn lijf snakt naar één ding; de stem van het verlangen volgen. Het groen van de bomen, de frisse bries en de zon spreken dezelfde taal. De taal van gelukzaligheid, als een drug die ik niet kan weerstaan. Ik kan niet weigeren, ik gehoorzaam de stem en stap het bos in. Onder mijn laarzen knappen twijgjes gewillig. Een knisperend geluid dat mij aanmoedigt door te gaan. Het zonnestraaltje is niet meer voor me, maar danst naast mij het bos in. Het leidt niet meer, maar vergezelt me.

Ik loop verder tot ik omringd ben door bomen. Plotseling staat Jack stil en piept zachtjes. Het is duidelijk dat hij niet verder wil. Misschien een verdwaald konijn? Die goeie ouwe lobbes, bang voor een klein dier? Ik kan een glimlach niet onderdrukken en geef hem een aai over zijn bol. Geruststellend zeg ik hem dat ik zo terug ben en ik vervolg mijn weg. Hij nestelt zich op de mossige grond en legt zijn kop op zijn voorpoten. De dieprode dakpannen van ons stulpje verdwijnen langzaam achter de bomen, terwijl ik steeds verder het bos in loop.

Iets verderop hoor ik achter mij het klaaglijk piepen van Jack en ik onderdruk de neiging om terug te gaan. Sinds we hier wonen ben ik nog nooit zo diep in het bos geweest. Op de een of andere manier schrikt het me altijd af, tot vandaag.

Hoe verder ik mijn weg vervolg, hoe meer de twijgjes plaatsmaken voor grote dikke dennenappels die door de dunne zool van mijn laarzen heen duwen. Het doet zeer en ik trek een laars uit om over de pijnlijke plek in het midden van mijn voetzool te wrijven. Waar ben ik beland, dit stuk bos is me onbekend. In mijn euforie ben ik verder het bos in gegaan dan ik eigenlijk wil.

Naast mij verbleekt het zonnestraaltje, totdat het plots tussen de bomen verdwijnt. Schichtig, alsof het op de vlucht is. Ik wil het volgen, maar het is me te snel af. Het groene bladerdek verandert in een donkere massa en de fluistering verdwijnt in de donkere diepte van het bos.

‘Kom maar, kom maar,’ hoor ik zacht in de verte, totdat het geluid wegsterft.

Boven mij verandert de hemel in een indrukwekkende samenklontering van donkergrijze wolken. Mijn zintuigen staan op scherp en ik voel een huivering langzaam langs mijn rug kruipen. Wat gebeurt hier? Gedesoriënteerd heb ik geen idee welke kant ik op moet. Waar is dat dansende lichtje gebleven dat mij de weg wees?

Zware voetstappen, als van een roofdier, komen op mij af. Maar ik zie niemand. Wat is het donker. Iemand komt mij tegemoet en ik hoor satanisch lachen: ‘Ik heb je, ik heb je.’ Mijn hart klopt in mijn keel, hier sta ik in een donker bos en ik zie geen uitweg.

Dan grijpen twee harde handen mijn schouders stevig beet. Nee! Een ijselijke gil stoot ik uit mijn keel, de wereld draait en ik val. ‘Het is nog niet haar beurt. Nog niet,’ hoor ik voordat het donker mij omarmt. Sterke armen vangen mij op en houden mij stevig vast. Wanneer mijn ogen aan de duisternis zijn gewend, kijk ik in twee gifgroene ogen. Net zoals die van mijn psycholoog. Waar ben ik, wie is dit? Verwarring.

‘Nina, word wakker.’ De handen schudden aan mijn schouder. ‘Nina, word wakker,’ hoor ik nog eens. Zachtjes, teder, maar het voelt niet oprecht. Mijn oogleden zijn zwaar. De zonnige dag is veranderd in een nacht vol duisternis. Ik wil wegrennen, maar de vage schim houdt mij tegen.

Een tik op mijn wang.

‘Nina, word wakker. Ik ben het, Jasper. Je stapte uit ons warme bed en nam de zaklantaarn mee. Het moet afgelopen zijn met je slaapwandelingen. Hoor je me?’

‘Jij was er niet,’ stamel ik.

‘Jawel, je slaapwandelde.’

‘Nee, ik …’

Is het verbeelding of hoor ik die satanische lach op de achtergrond? Ik kijk Jasper verward aan en realiseer me dat ik in het holst van de nacht in het bos sta. Slaapwandelen? Dat heb ik nog nooit gedaan. Hoe komt hij er bij. Of hoort dit bij de bizarre hersenspinsels die mij de laatste tijd plagen?

‘Het gaat niet goed met je, lieverd. Laat me je helpen.’ Terwijl hij mijn bovenarm stevig vastpakt, iets te hardhandig voor een liefhebbende echtgenoot, schenkt hij mij zijn allerliefste lach.

‘Jasper?’

‘Je bent in de war. Kom, we gaan naar huis.’

Waar is mijn Jasper gebleven, het voelt zo anders. We zijn maatjes, maar het voelt alsof hij een vreemde is. Ik kijk hem diep in zijn blauwe ogen, op zoek naar mijn Jasper. Heel even zie ik, een fractie van een seconde, de spiegels van zijn ziel oplichten in een gifgroene kleur.

Een kleur die niet aards kan zijn.


Elly Godijn Mijn leven is niet meer van mij
Prijs € 15,50
ISBN 978-94-93157-01-9